De laatste jaren stijgt de belangstelling voor het uitbesteden van de software ontwikkeling naar lage-lonenlanden. Vooral India is populair en ruim tweehonderd Nederlandse bedrijven hebben er reeds hun software laten maken. Ook Midden- en Oost-Europa komt op. De beschikbaarheid van ervaren IT-ers tegen lage tarieven is een aantrekkelijke optie.
Uitbesteden software
ontwikkeling naar lage-lonenlanden
De moeite waard, ook voor
kleinere organisaties
door Paul Tjia (GPI Consultancy, Rotterdam)
De ontwikkelingen in de informatietechnologie zorgen voor een grote vraag naar specialisten. Ons land kent echter al enige jaren een tekort aan ervaren automatiseerders en de verwachting is dat deze schaarste voorlopig zal voortduren. Het imago van de IT-sector is niet goed genoeg om voldoende nieuwe mensen aan te trekken en ook het onderwijs levert te weinig afgestudeerden af. Vooral kleinere organisaties ondervinden problemen bij het werven en behouden van IT-ers.
Hoge kosten worden gemaakt bij de nieuwbouw en het onderhoud van applicaties, onder meer door de stijgende personeelskosten. De tarieven die softwarehuizen vragen zijn fors en ook voor bedrijven die voornamelijk met eigen mensen werken kunnen de uitgaven verbonden aan personeel te hoog worden. Een mogelijke oplossing voor deze problemen is het (gedeeltelijk) uitbesteden van werkzaamheden naar lage-lonenlanden: offshoring.
Aanbod uit lage-lonenlanden
Verschillende van deze landen hebben behoorlijke vorderingen gemaakt op het gebied van onderwijs en techniek en grote aantallen informatica-specialisten zijn er nu beschikbaar. Met name aantrekkelijk is Azië, met onder meer IT-dienstverleners uit India, Pakistan, Nepal, Bangladesh, China, Noord-Korea en de Filippijnen.
Ook het Midden-Oosten is in opkomst, met goede IT-bedrijven in onder meer Egypte, Jordanië en Palestina. In Latijns-Amerika kunnen we denken aan Colombia, Ecuador of Brazilië. Dichter bij huis zijn er grote aantallen softwarehuizen in de landen van Midden- en Oost-Europa (nearshoring). Ondernemingen uit deze landen hebben nu de beschikking over de meest recente hard- en software en zijn goed op de hoogte van de nieuwste IT-trends. Mede door de komst van Internet zijn communicatieverbindingen verbeterd en kunnen de zakelijke contacten eenvoudiger verlopen. Er kan daarom serieus gedacht worden aan het ter plaatse laten ontwikkelen van programmatuur. De lokale IT-ers kunnen voor relatief lage bedragen ingehuurd worden waardoor er besparingen mogelijk zijn van vele tientallen procenten.
ON-SITE
OF OFFSHORE
Al decennia geleden werden Indiase programmeurs, die meestal goed Engels spreken, naar de Verenigde Staten gezonden. Voor een bepaalde tijd werd dan gewerkt bij de ontwikkelteams van lokale bedrijven ('on-site'). De Amerikaanse bedrijven konden hierbij de controle op het werk in eigen hand houden. Deze medewerkers bleken goed te voldoen en het aantal Indiase IT-ers in de V.S. is nu tot vele duizenden gestegen. Door de strengere arbeidswetgeving is deze manier van werken in ons land minder populair geweest, maar de laatste jaren zien we het aantal Indiase programmeurs werkzaam in Nederland toenemen.
Door de betere communicatiemogelijkheden is het voor westerse klanten ook mogelijk geworden om programmatuur op afstand, zoals in India zelf, te laten ontwikkelen. Dit wordt 'offshore software development' genoemd, en omdat het de goedkoopste manier van werken is neemt het snel in belang toe. Meestal gebruikt men de hardware van het buitenlandse bedrijf. Ook is het hierbij mogelijk dat de programmeurs via satellietverbindingen werken op computers die zich bij de klant bevinden. Dit zien we vooral tussen de Verenigde Staten en India. Door het tijdsverschil van 12 uur met India betekent dit ook dat er 24 uur per dag gewerkt kan worden: als het Amerikaanse team 's-avonds naar huis gaat, begint in India weer de werkdag. Dit zorgt ervoor dat de doorlooptijd van projecten beduidend korter wordt.
BELANGRIJKSTE AANBIEDER:
INDIA
India is uitgegroeid tot de belangrijkste aanbieder: het produceerde in het jaar 2007 al voor bijna 50 miljard dollar aan (maatwerk)software voor het buitenland. De jaarlijkse groeit van deze export is maar liefst 40%. Dit succes komt mede door de aandacht die er aan kwaliteit gegeven wordt. Een relatief groot aantal firma's is ISO-9000 gecertificeerd en enkele softwarehuizen zitten al op het hoogste CMM-level 5 (dit niveau wordt in Nederland nog haast door niemand gehaald). Verder beschikt India over zeer veel Engels sprekende academici en technisch geschoolden. Zo kreeg een Nederlands automatiseringsbedrijf op haar personeelsadvertenties slechts enkele sollicitanten. In India bleek dezelfde advertentie maar liefst 300 serieuze kandidaten op te leveren. Door dit grote aanbod en vanwege de strenge selectie door de bedrijven is het gemiddelde opleidingsniveau van de Indiase automatiseerder hoger dan dat in Nederland het geval is. Ook zijn deze werknemers opvallend goed gemotiveerd. Indiase programmeurs hebben een hogere of vergelijkbare productiviteit in vergelijking met westerse programmeurs.
Amerikaanse organisaties zijn begonnen met het gebruik maken van Indiase expertise, en nog steeds gaat ongeveer 60% van de Indiase software-export naar de Verenigde Staten. Reeds een kwart van de Fortune 500-bedrijven heeft daar nu ervaring opgedaan met de 'India-route'. Het aandeel van Europa bedraagt 20%, vooral naar Duitsland en Groot-Brittannië. Nederland is lange tijd wat terughoudend geweest en minder dan 1% van de Indiase software-export is voor ons land bestemd. Toch hebben volgens schattingen van GPI Consultancy de afgelopen decennia al ongeveer 200 Nederlandse -meestal grote- ondernemingen software in India laten maken. Op veel kleinere schaal wordt er werk uitbesteed naar Midden- en Oost-Europa of naar landen als Indonesië, Sri Lanka, Bangladesh en de Filippijnen.
Vooral de meest arbeidsintensieve activiteiten, zoals het programmeren, worden uitgevoerd in lagelonenlanden. Deze werkzaamheden vereisen relatief weinig contacten met de eindgebruiker en kunnen daarom op afstand gedaan worden. Ook het technische ontwerp kan uitbesteed worden, evenals een deel van het testen. Het kan hierbij gaan om nieuwbouw van programmatuur, maar onderhoud is vaak geschikter om mee te beginnen. Een werkend systeem is voor de buitenlandse staf beter te doorgronden en vaak is de nodige documentatie reeds beschikbaar. Voorbeelden van onderhoud dat in het buitenland verricht zijn: Jaar 2000- en Euro-aanpassingen, conversies (van 3GL naar 4GL, van IMS naar DB2, van DOS naar Windows) en migraties/downsizing (van mainframe naar Client/Server). Internet is een nieuw werkterrein (web-design, web-enabling, e-commerce, HTML-programming, XML-tagging). IT-werkzaamheden zoals het maken van computergames, animatie, data-entry en het digitaliseren van documenten zijn ook goed uit te besteden. Verder zijn er nu experimenten aan de gang om back-office activiteiten, zoals het opzetten van call-centers en helpdesks, gedeeltelijk naar het buitenland te verplaatsen.
VORMEN VAN INTERNATIONALE
SAMENWERKING
We kunnen een viertal vormen van samenwerking met ontwikkelingslanden onderscheiden:
De meest gebruikelijke manier is dat Nederlandse organisaties op projectbasis werk uitbesteden naar een buitenlands softwarebedrijf. Bekende namen die zo werken zijn de KLM, Exact, ABN AMRO Bank, Nationale Nederlanden en de Rabobank. Ook een aantal kleinere bedrijven heeft zo de weg naar het buitenland reeds gevonden. Het grootste probleem hierbij is het vinden van een geschikte partner en zonder voldoende kennis van de software-branche in bijvoorbeeld Azië is deze rechtstreekse benadering voor de meeste organisaties moeilijk. Het is echter mogelijk om hierbij gebruik te maken van de diensten van Nederlandse adviseurs of van agenten van buitenlandse bedrijven. Ook hebben enkele grote (vooral Indiase) softwarehuizen al eigen kantoren in Nederland opgericht. Dit vergemakkelijkt vooral in de beginfase de communicatie, maar bedacht moet worden dat hun tarieven, mede vanwege deze overhead, soms aan de hoge kant liggen.
Een tweede mogelijkheid is om een joint-venture te starten tussen een Nederlands en een buitenlands bedrijf. Een voorbeeld hiervan is OTS (Orange Telecom Software), een in 1991 opgerichte joint-venture van Nepostel (dochter van KPN) met het Indiase bedrijf TCIL (Telecommunications Consultants India Limited). Regelmatig gingen Indiase IT-ers naar Nederland om in Den Haag te programmeren. Bovendien werd er in India software gemaakt en per satelliet naar Nederland overgestuurd. Deze joint-venture is overigens kortgeleden opgeheven; KPN is nu zelfstandig projecten aan het uitbesteden aan Indiase firma's.
Ook kunnen Nederlandse bedrijven een eigen dochteronderneming in het buitenland oprichten. Dit gebeurt nog niet vaak, maar het is de moeite waard zijn indien er grote hoeveelheden programmatuur ontwikkeld of onderhouden moeten worden. Philips en Atos Origin hebben hiervoor eigen dochters in India, wat ook gold voor Baan Company uit Barneveld. Baan heeft reeds in 1988 een vestiging in Bombay geopend, gevolgd door een tweede in Hyderabad in 1995. Cordys, het nieuwe bedrijf van Baan, is ook in Hyderabad bevestigd.
Als laatste mogelijk kunnen we denken aan het zelf in dienst nemen van informatici van buiten de Europese Unie. Dit is nog tamelijk ongebruikelijk, maar door de schaarste aan mensen is het nu minder moeilijk dan vroeger. Er is een technisch automatiseringsbedrijf dat reeds een dertigtal Indiase programmeurs in vaste dienst genomen heeft. Dit betekent wel dat een omslachtige procedure gevolgd moet worden en voor de nieuwe medewerkers zijn verblijfsvergunningen nodig. Ze moeten aangenomen worden volgens de geldende Nederlandse regels, dus ook met de gebruikelijke salarissen. Volgens cijfers van de Arbeidsvoorziening is het aantal aanvragen voor tewerkstellingsvergunningen voor buitenlandse IT-ers de laatste twee jaar verdrievoudigd.
COMMUNICATIE EN CULTUUR
In tegenstelling tot de Verenigde Staten blijken Nederlandse bedrijven veel huiveriger om hun software in het verre buitenland te laten maken. Het wordt nog te vaak als een te groot avontuur gezien. Deze afwachtende houding is wel te begrijpen, want het maken van kwalitatief hoogwaardige software is ook in Nederland al moeilijk genoeg. De praktijk heeft echter uitgewezen dat offshore software ontwikkeling moeilijker lijkt dan dat het in werkelijkheid is. De meerderheid van de bedrijven die er reeds ervaring mee hebben blijkt er tevreden over te zijn. Ook is het niet iets dat alleen weggelegd is voor de grote ondernemingen; juist voor startende, kleine of middelgrote bedrijven is het van belang om te profiteren van de lagere kosten en om zo de Total Cost of Ownership te verlagen.
Lastig is soms het vinden van de juiste buitenlandse partner: deze moet goed aansluiten bij de behoeftes van de Nederlandse opdrachtgever. Daarnaast moet voldaan worden aan een aantal voorwaarden dat te maken heeft met taal, communicatie en cultuur. Het opzetten van een klein proefproject is een goede manier om met deze vorm van software ontwikkeling ervaring op te doen. Bij voorkeur moet hiervoor een project uitgekozen worden waarbij de tijdsdruk niet te hoog is. Gespecialiseerde adviesbureaus zoals het Rotterdamse GPI Consultancy kunnen hierbij ondersteuning geven, zoals op het terrein van landen- en partnerselectie.
Ook moderne communicatiemiddelen kunnen de wereldwijde samenwerking sterk ondersteunen. Gedacht kan worden aan een gezamenlijk Intranet tussen de verschillende ontwikkellokaties. Door de intensieve manier waarop teams met elkaar op afstand kunnen werken wordt in dit verband ook wel gesproken over 'virtuele software-organisaties'.
Bij complexe projecten is het aan te raden om eerst een aantal buitenlandse medewerkers tijdelijk naar Nederland over te laten komen. Ze kunnen zo vertrouwd raken met de bedrijfscultuur en met de applicaties en systemen. Als het om grote projecten gaat wordt er soms enige tijd een Nederlandse projectleider in het buitenland gestationeerd.
WIN-WIN SITUATIE
India is al enkele decennia geleden begonnen met het voor buitenlandse bedrijven ontwikkelen van programmatuur en momenteel bieden ook softwarebedrijven uit andere landen hun diensten aan. Verschillende van deze landen hebben de beschikking over grote aantallen hooggeschoolde en Engels sprekende software professionals.
Nederlandse bedrijven kunnen bij de huidige schaarste aan personeel gebruik maken van dit grote aanbod aan IT-ers. Hoewel de voorbereiding zeer zorgvuldig moet gebeuren zijn bovendien interessante besparingen op de hoge kosten van systeemontwikkeling mogelijk. Dit is vooral voor kleine en middelgrote ondernemingen belangrijk. Bij deze samenwerking is sprake van een 'win-win' situatie: Nederlandse bedrijven profiteren van de lagere tarieven en de beschikbaarheid van automatiseerders. In het buitenland zelf zorgt het voor hooggeschoolde en milieuvriendelijke werkgelegenheid die voor lokale begrippen goed betaald wordt. De verwachting is dat het uitbesteden van IT-werkzaamheden naar lage-lonenlanden in belang zal toenemen en een blijvende ontwikkeling in de Nederlandse softwarewereld zal zijn.
Drs Paul Tjia is werkzaam als senior consultant
bij GPI Consultancy, Postbus 26151, 3002 ED Rotterdam. Tel: 010-4254172, E-mail: info@gpic.nl
Http://www.gpic.nl